We raakten aan de praat. Hij vertelde over zijn leven. Over zijn werk en dat hij een aantal jaren geleden zijn vrouw verloren had. Het gemis was er nog steeds. Ik las het in zijn ogen, hoorde het in zijn stem. ‘Maar nu jij,’ zei hij.
Ik vertelde dat ik als dominee al een aantal jaren met pensioen was. Hij had er meteen een vraag over: wat ik van mijn werk het meest miste? Het overviel me. Maar al snel wist ik het antwoord: het bidden met mensen.
Niet dat ik zo’n bidder ben. Het was doorgaans niet het eerste instrument dat ik uit de pastorale gereedschapskist trok. Een gesprek moest er als het ware vanzelf heenleiden. En niet nadat de vraag was gesteld: ‘Zou u het misschien fijn vinden om samen te bidden?’ Soms vroegen mensen er zelf al om.
Terugkijkend zie ik dat ik me op die momenten het meest waardevol heb gevoeld. Aan vergaderen had ik altijd een hekel. Ik ging en ga wèl heel graag voor in kerkdiensten. Gespreksavonden leiden vond ik ook inspirerend. Maar nergens heb ik de nabijheid van de Ander zo gevoeld als tijdens het bidden voor en met de ander. Omdat ik merkte dat de ander dat ook zo voelde. Niet dat de woorden gemakkelijk kwamen. Het is vaak stamelen en zoeken naar de juiste woorden. Maar bidden is: je onmacht (samen) uit handen geven.
Ik mis het. Dat komt: ik doe al bijna vijf jaar geen pastorale bezoeken meer. Na veertig jaar altijd ‘aan’ te hebben gestaan (wie pastor is moet altijd beschikbaar zijn), merkte ik dat ik me een stuk lichter voelde. Die verantwoordelijkheid mis ik dus niet. Het bidden wel.
‘Dus u bad met mensen?’ zei de man. Het verbaasde hem. In de periode na het overlijden van zijn vrouw had niemand met hem gebeden. Dat verbaasde mij weer.