In onthaasten of op zoek gaan naar een innerlijke tijd (zoals Joke Hermsen voorstelde) ziet zij dan ook niets. Het leven draait om ritme: de balans van herhaling en vernieuwing. Het gevoel opgejaagd te worden is slechts een kwestie van verschillende ritmes die elkaar tegenwerken. ‘Stel ze meer op elkaar af’ is haar boodschap. En vooral: zorg voor gezamenlijke ritmes. Die zijn nu teveel ingeruild voor individuele, flexibele tijdsindelingen.

In een elftal hoofdstukken onderzoekt zij hoe ritmes ons leven bepalen. Seks leef van ritme, muziek is zonder ritme ondenkbaar, religie regelt het ritme van het jaar, ieder mens heeft een bioritme, kortom: leven is bijna synoniem met ritme.

Maar daar zit ook het probleem. In het moderne leven lijkt de tijd haar regelmatige golfslag te verliezen. Door de techniek zijn wij 24 uur per dag bereikbaar. Werk en privé lopen steeds meer in elkaar over. Nu wij bereikbaar kúnnen zijn, móeten we het ook.

Is daar iets aan te doen? Och, sommige problemen lossen zich vanzelf op zoals het verleden heeft laten zien. Met elke technische verandering waren mensen een tijdje van slag. Maar gaandeweg werd het nieuwe ritme geïntegreerd in een groter geheel.

Maar niet alles los zich vanzelf op. Daarom doet Huijer in een van de slothoofdstukken voorstellen ter overweging. Maar dit vond ik – in tegenstelling tot de rest van het boek – geen overtuigend hoofdstuk. Haar oplossingen lijken vooral neer te komen op: ‘Wat is het probleem? Geen gezamenlijk ritme? Zorg er dan voor.’

Ze pleit bijvoorbeeld voor vaste accudagen: een gezamenlijke rustdag op zaterdag of zondag. Maar het karakter van de zondag als gezamenlijke rustdag is allang afgebroken! En met een reden. Zonder de onderliggende oorzaak (secularisatie, vereconomisering) aan te pakken zul je een gezamenlijke vrije dag niet terugkrijgen.

Huijer is voor aparte roosters voor ochtend- en avondmensen – ook op scholen. Maar hoeveel middelbare scholen hebben nu al de grootste moeite om één samenhangend rooster samen te stellen?

Binnen datzelfde kader valt haar wens om multireligieuze feestdagen te vieren. Hoe realistisch is dat? Ter vergelijking: waarom zou ik mijn verjaardag (3 mei) gezamenlijk vieren met een buurvrouw verderop in de straat die 21 september jarig is en een man in de straat achter ons die 2 april jarig is en die ik verder nauwelijks ken? En dat alles op 1 juli omdat het zo’n geschikte datum is. Wat vier je dan nog? Het jarig zijn als zodanig? Het is toch de verjaardag van die persoon? Zo is het ook met religie: de feestdagen zijn onlosmakelijk verbonden met het eigen karakter van de betreffende religie en die ene datum op de kalender.

Mij bekroop het gevoel dat de beschrijvingen en analyses sterk zijn, maar dat zodra het op suggesties tot verandering aankomt de olifant een muis baart. De ideeën voor verandering of bijsturing leggen het in gewicht verre af tegen de autonome processen binnen een weerbarstige realiteit.

Toch heb ik het boek met veel plezier gelezen. Allereerst omdat Huijer een vaardige pen heeft. Wat kan ze schrijven zeg! Vervolgens: haar analyses zijn helder en scherp. Je komt als lezer niet alleen veel aan de weet, ze laat op overtuigende wijze zien dat een goed leven afhankelijk van een uitgebalanceerd ritme en hoezeer dit wordt bedreigd in onze cultuur.