De film speelt zich af in een voormalig mijnstadje in Noord-Engeland. De huizen zijn er vervallen en er heerst armoede. De enige publieke ontmoetingsplek is de haveloze pub ‘The Old Oak’. De eigenaar TJ Ballantyne kan de zaak met moeite draaiende houden. Een klein clubje buurtgenoten drinken er in apathie en onvrede hun pint.

Dan komen er Syrische vluchtelingen in het dorp wonen. Het zorgt voor grote onrust. Racisme steekt de kop op. Maar het bijzondere van de film is dat hij voor de kijker ook inzichtelijk maakt waar die een voedingsbodem heeft: in de uitzichtloze situatie van de oorspronkelijke bewoners.

Maar tussen TJ en Yara, een jonge vluchtelinge, groeit een warme vriendschap. Die vriendschap blijkt de aanleiding tot creatieve plannen: de pub kan een ontmoetingsplek worden voor vluchtelingen en dorpsbewoners. Er kan ook samen gegeten worden. Dat mes snijdt aan twee kanten: er vindt niet alleen ontmoeting plaats, maar kinderen uit het dorp die onvoldoende te eten krijgen, zullen ook aan hun trekken komen.

Maar het initiatief van TJ en Yara wordt hen door een deel van de bewoners niet in dank afgenomen. Ik zal verder niets vertellen over het verloop van die onvrede. Maar de zeeën zullen hoog gaan. Toch kent de film een min of meer bevredigend eind. En vooral: een ontróerend eind. Ik hoorde diverse mensen in de bios snotteren en de tranen stonden mij ook op de oogleden.

Een overtuigend sociaal drama dat mensen laat zien als slachtoffers van maatschappelijke ontwikkelingen, maar die toch iets van het (samen)leven kunnen maken. Bijzondere film.