Allereerst dit. Haar manier van zingen. Met elk album lijkt die meer en meer van iemand die een borrel te veel op heeft. Beluister een nummer van haar topalbum ‘Car Wheels On A Gravel Road’ (2006) en daarna een nummer van haar laatste album (‘Shadows & Doubts’ bijvoorbeeld) en je hoort een wereld van verschil.
Bij Joe Henry heb ik een soortgelijke ontwikkeling ook weleens besproken. Net als bij hem vind ik het ook bij Williams niet altijd verbetering. Als ik een paar nummers achter elkaar beluisterd heb, gaat er iets in de weg zitten. Maar nu doet zich het wonderlijke voor dat als ik een album van langer geleden van haar beluister, ik het weer iets te glad vind. Het randje heeft kennelijk toch wel iets!
Hoe dan ook, Williams vernieuwt zich wel en dat waardeer ik
in elke artiest. Het gitaarwerk op bijvoorbeeld ‘You Can’t Rule Me’ of ‘Bone of
Contention’ gaat een stap verder dan we gewend zijn. En die Mathis (lid van
haar vaste band) is topgitarist.
Lieflijk kun je het werk van Williams niet noemen. Ze toont zich vaak een bitch die van zich afbijt (‘Wakin’ Up’). Duisternis is nooit ver (‘When The Way Gets Dark’). Ze schuwt het politieke niet (‘Man Without A Soul’ schijnt over Trump te gaan). Maar er staan altijd ook aangrijpende songs op haar album. Absoluut hoogtepunt wat dat laatste betreft is ‘Big Black Train’.
Toch kreeg ik al luisterend wat heimwee naar de toon van ‘The Ghosts of Highway 20’, haar album van vier jaar geleden. Ook een gitaarplaat, maar toen met de topgitaristen Bill Frisell (jazzgitarist!) en Greg Leisz. Hun toon was subtieler, rijker. Maar ja, wie een artiest altijd legt langs de meetlat van haar beste werk heeft hoge verwachtingen die soms wel getemperd móeten worden: ook minder kan nog altijd goed zijn.