Het opus magnum van Knausgård is volledig autobiografisch. Of – zoals hij in het laatste deel zal betogen – een verslag van zijn herinneringen. De delen vertellen niet in chronologische volgorde over zijn leven. En in de afzonderlijke boeken springt de schrijver ook regelmatig heen en weer door de tijd. Maar dat is – zo is mijn ervaring – nooit verwarrend. Zijn schrijfstijl is helder en meeslepend genoeg om je bij de les te houden.

Het belangrijkste dat mij zal bijblijven, is de bijna onbarmhartige eerlijkheid en openheid waarmee hij zijn leven beschrijft. Hij houdt werkelijk niets achter - ook niet dat wat ieder mens en ook de schrijver zelf niet snel aan een ander zou vertellen. Zo horen we dat hij in zijn tienerjaren nooit gemasturbeerd heeft, omdat hij last had van nachtelijke (en later voortijdige) zaadlozingen. Maar ook zijn gedachten over zijn naasten (bijvoorbeeld zijn vrouw Linda) die een mens normaal nooit zou uiten, worden openlijk beschreven.

Daarom gebruikte ik zo-even de woorden ‘bijna onbarmhartig’. Hij spaart zichzelf niet. Maar dus ook zijn vrienden en familie niet. De boeken leverden dan ook in zijn omgeving nogal wat conflictstof op, zo zal met name in het laatste deel (dat de periode beschrijft waarin het eerste deel verschijnt) blijken. Maar juist die eerlijkheid maken dat de romancyclus een monument wordt van de condition humaine in deze tijd.

Knausgård schrijft en beschrijft zeer gedetailleerd. Het deed mij denken aan wat in de schilderkunst ‘hyperrealisme’ heet: de werkelijkheid zo gedetailleerd en vergroot laten zien dat het leidt tot een intensere beleving van diezelfde werkelijkheid. Nu kan dat gedetailleerde ook vervelend worden. Maar Knausgård weet een cadans aan te brengen in zijn boeken, die zorgt dat je vanzelf meegevoerd wordt. Met name hierin toont hij naar mijn mening zijn meesterschap. Subliem!

Tot die cadans horen ook de essay-achtige passages waarmee het verhaal wordt gelardeerd. Het zijn diepzinnige observaties en overdenkingen die soms veel van de lezer vragen, maar die – als je er doorheen bent – je het gevoel geven dat je nog rijker in het verhaal staat. Een uitzondering is wellicht het ruim 400 pagina’s (!) tellende essay ‘De naam en het getal’ midden in het laatste deel. Ik kan me voorstellen dat veel lezers daar teleurgesteld afhaken, want het vraagt heel veel. Je hebt er ruim 3000 pagina’s op zitten, en dan ligt er in het zicht van de finish ineens zo’n nauwelijks te nemen berg! Er zijn dan ook veel lezers die de eindstreep niet halen.

Toch is dit essay essentieel. De romancyclus van Knausgård
heet ‘Mijn strijd’. Daar is veel om te doen geweest. Hoe kun je een boek de
titel geven van het meest verdorven werk uit de twintigste eeuw? Maar in dit
essay ligt de sleutel. Knausgård spreekt hier uitgebreid over het boek van
Hitler. En voor zover ik het essay begrepen heb (ik geef het voor beter) beoogt
Knausgård met zijn romancyclus het tegendeel van wat Hitler deed.

Alles in ‘Mein Kampf’ staat in het gelid van de ideologie van het ‘wij’ – Hitler vertelt niet meer van zijn leven dan wat dit ‘wij’ ondersteunt. En dat ‘wij’ staat dan tegenover het ‘zij’ van de joden. Zo loopt zijn boek uit op de dan al te voorziene eliminatie van dat ‘zij’. Het (zeer moeilijke) gedicht van Paul Celan waarmee Knausgårds essay begint, laat het niets zien waarin dat ‘zij’ zal verdwijnen.

Het boek van Knausgård daarentegen is de allerindividueelste expressie van een leven. Dat leven is ook verwikkeld in een strijd. Strijd met de betekenisloosheid van het leven. Strijd met minderwaardigheidsgevoelens. Strijd met een agressieve vader, met kinderen die aandacht vragen, met het schrijverschap als zodanig. Maar ook een strijd met de vragen van een eeuw waarin de Shoah plaats kon vinden. Knausgård zou het liefst in de zeventiende eeuw leven, maar moet het doen met deze. Is het vele huilen van Knausgård ook een teken van die voortdurende strijd waarin hij verwikkeld is? Want dat is ook zo’n opvallende rode draad: hij huilt snel – ook als volwassen man.

Toch laten de boeken bij mij ook één vraag achter. Hitler maakt alles onderhorig aan zijn ideologie van het 'wij' waaraan het 'zij' wordt opgeofferd. Maar offert Knausgård anderen en zichzelf in zekere zin niet op aan de literatuur? Onvergelijkbaar met Hitler uiteraard, maar toch. De schrijver zelf realiseert zich dat zelf als de beste. Een van de laatste zinnen luidt: 'Ik ben zo gek op Linda, en ik ben gek op onze kinderen. Ik zal mezelf nooit vergeven waar ik hen aan heb blootgesteld, maar met wat ik heb gedaan, moet ik leven.' Zo is het laatste beeld dat van de tragiek van een schrijver die niet anders kon.

Met deze romancyclus heeft Knausgård een pendant geschreven van ‘À la recherche du temps perdu’ van Marcel Proust. Of het net zo’n klassieker zal worden, zal de tijd leren. Maar het heeft alles in zich. Wat een monumentaal werk! Dankzij de kringloopwinkel heb ik het gelukkig niet misgelopen. Toch voortaan wat meer aandacht besteden aan hypes. Soms zijn ze terecht.