Warndorff is afgestudeerd in de humanistiek: geen
filosofisch-wetenschappelijke studie, zo zegt hijzelf, maar
praktisch-affectief. Dat praktisch-affectieve zal zijn boek van a tot z bepalen,
maar zich tegelijk op dat filosofisch-wetenschappelijke terrein begeven. Want de
schrijver keert zich tegen het westerse rationele, objectiverende denken
waarvan het spoor teruggaat tot de Grieken en dat loopt tot en met de
Verlichting, die Warndorff onbekommerd ook een verduistering noemt. Wat is er
mis?

Om de toon van Warndorff meteen te kenschetsen: niet alles. Het technisch-wetenschappelijk denken heeft veel goede zaken voortgebracht. Warndorf heeft oog voor nuances. Maar het westerse denken is in zijn ogen doorgeschoten. In een breed exposé toont hij zijn kennis en overzicht van onze denktraditie en laat hij zien dat zij de werkelijkheid geweld aandoet. ‘Reductionisme’ is het woord dat mij bij lezing telkens te binnen schoot. ‘Nothing-buttery’ zeggen de Engelsen: water is niets anders dan H2O. Of zoals Warndorff schrijft: ‘De werkelijkheid begrijpen betekent zintuiglijk waargenomen verschijnselen vervangen door (of, reduceren tot) wiskundige modellen.’

De werkelijkheid wordt teruggebracht tot een Het of 'hetten'. We menen haar op die manier in onze denkgreep te hebben. Maar dat is een heerszuchtige houding, en ze is mede gevoed door het christendom. Maar zoals gezegd: Warndorff is ook kritisch op de Verlichting die een behoorlijke duit in de zak van deze ont-tovering heeft gedaan. Dit alles heeft het mysterie van het leven verduisterd.

Het boek biedt een alternatief. Daarbij laat Warndorff zich
inspireren door denkers die hem voorgingen: Albert Schweitzer, Emmanuel Levinas,
maar vooral: José Ortega y Gasset. De laatste zou je gerust zijn leermeester
kunnen noemen. Warndorff sluit aan bij diens kritiek op de filosofische traditie
van het westen. Maar hij komt ook tot een eigen verwerking, die in twee
grondwoorden te vatten valt: ‘Het’ moet ‘Dit’ worden.

Het westerse denken doet door het Het-denken alsof het
buiten de werkelijkheid kan staan om er van een afstandje tegenaan te kijken. Maar
de denkende mens maakt zelf deel uit van de werkelijkheid. ‘Het’ is de wereld
op een afstand. Maar ‘Dit’ omsluit de mens zelf. Hij haalt de Amerikaanse
schrijver David Foster Wallace aan die een oudere vis tegen twee jonge vissen
laat zeggen: ‘Goedemorgen, jongelui, hoe is het water?’ Waarop de jonge vissen
zich afvragen: ‘Wat is in hemelsnaam water?’ Een vis kan niet van buitenaf
tegen het water aankijken. Water is: wat ons voortdurend doordrenkt en waarin
wij voortdurend vervloeien. Warndorff omschrijft het als: wat hier gebeurt. Warndorff
breidt zijn alternatief dan ook uit tot ‘Dit is wat hier gebeurt’.

Het gaat om een vorm van omdenken dat ons bepaalt bij een
gebeuren waarvan wij zelf deel uitmaken. Een omdenken dat weer openstaat voor het
niet te vatten mysterie van leven en dat zich laat vinden in ieders leven. Het
denken moet dan ook losgemaakt worden van het instrument om de werkelijkheid in
zijn greep te krijgen en vooral een uiting van liefde worden. We worden
opgeroepen om ‘van zoveel mogelijk, zo veel mogelijk te houden’. Daarmee
bepleit Warndorff op een filosofische manier een holistisch denken dat hem
zelfs ingeeft om elk levend wezen als heilig te zien.

‘Liefde’, ‘heilig’ – wanneer die woorden vallen zijn religie
en spiritualiteit niet ver weg. En inderdaad, ze lijken toch weer om de hoek te
komen als Warndorff zijn kaarten op tafel legt: hij voelt zich verwant met
taoïsme en boeddhisme. Het yin yang-symbool kan hij zelfs gebruiken om te
duiden hoe wij het leven kunnen zien: het ik en de wereld zijn verweven met
elkaar. Vandaar de titel van het boek: ‘Ik ben de wereld’.

Warndorff is een begenadigd schrijver. Hij toonde dat al met
zijn vorige boek (‘Geen idee’, waar dit boek trouwens op voortborduurt), maar
‘Ik ben de wereld’ leest net zo gemakkelijk,
ook voor wie niet zo is ingevoerd in de filosofische tradities. Je voelt met
hoeveel liefde en enthousiasme het is geschreven! Ik heb beide boeken dan ook
met veel plezier gelezen. En niet alleen met plezier, ook met instemming. De
ecologische crisis noopt ons tot een ander denken, maar ook de ‘verplatting’
van ons dagelijks leven en de daarmee gepaard gaande zinscrisis. Het vraagt om
een ‘heler’ denken dat betekenis ‘cultiveert’, zoals Warndorff het noemt.

Toch is zijn pleidooi niet nieuw. Bij lezing kwam bijna op
elke bladzijde de naam van Martin Buber bij mij boven, en met name zijn ‘Ik en
Jij’. Warndorff haalt hem ook wel een keer aan, maar verder blijft Buber op de
achtergrond. Toch is het met name Buber geweest die honderd jaar geleden al haarscherp
onderscheid wist te maken tussen de Ik-Het-verhouding die het westerse denken
overwoekert enerzijds en anderzijds de
Ik-Jij-verhouding die openstaat voor het mysterie van het leven. Buber spreekt
zelfs van een ‘Eeuwig Jij’ dat nooit een Het kan worden. Wie volledig opgaat in
het Het-denken, wordt blind voor dat mysterie.

Buber schreef vanuit joodse traditie. Warndorff scheidt
ergens jodendom van christendom, als zou het mysterie in het jodendom beter
beschermd zijn geweest tegenover een christelijke traditie die met haar
dogmatisme verzeild raakte in een Het-denken. Maar zoals zelfs het boeddhisme
en jodendom zijn hardliners en fundamentalisten kent, zo kent de
christelijke traditie naast heerszucht, waarheidsclaims en superioriteitsdenken
ook een (vaak dissidente) spirituele, mystieke en monastieke kant die door de
eeuwen heen een radar bleef voor het mysterie. Je zou Albert Schweitzer daar
zelfs onder kunnen scharen met zijn ‘eerbied voor het leven’.

Het voorgaande is geen kritiek op Warndorff, integendeel, zijn boek is mij uit het hart gegrepen. Het gaat hier om: ik zou er ook vanuit mijn christelijk-spirituele perspectief het een en ander aan toe willen en kunnen voegen. De ruimte die Wandorff met zijn open en inclusieve denken voor een dergelijke toevoeging biedt, is er groot genoeg voor: hij nodigt uit tot meedenken-over-anders-denken. Neem en lees, zou ik zeggen!