Ik ging niet over één nacht ijs. Ik las het boek twee keer. Omdat ik Wim Boevink graag lees, was ik nieuwsgierig geworden. Maar het boek dat hij zo bejubelde, maakte mij niet enthousiast. Heb ik iets gemist, dacht ik. Dus nog maar een tweede keer gelezen. Ik heb het dus echt een kans gegeven. Maar ik bleef het een stroperig, saai boek vinden.
De grens uit de titel slaat op een letterlijke grens. De schrijver is verhuisd naar een klein dorp waar weinig gebeurt. Af en toe gaat hij nog weleens de grens over, naar de hoofdstad van de grensstaat waar hij voorheen woonde. Hij bezoekt er mensen of gaat naar paardenraces - een liefhebberij van hem waar je overigens verder niets over leest.
Maar met de grens wordt ook iets anders bedoeld. Het boek gaat ook over de grenzen van de geest en de waarneming. Niet de meteen in het oog springende zaken staan centraal, maar ogenschijnlijke randzaken. Dat wat in de marge van het blikveld of geheugen zich bevindt, is pas interessant voor de schrijver. Dat zijn natuurlijk niet de meest sensationele zaken. Maar dat hoeft zeker geen nadeel te zijn. Het kan je ogen openen voor vergeten maar wonderschone en interessante details. Ook een vertraging in waarnemen of lezen is aan mij besteed. Het zorgt voor een aandacht die dingen vangt die anders verloren gaan. Het kan het poëtisch gehalte verhogen.
Maar wat dit verslag (roman? reportage?) zo taai maakt is de eentonige aaneenschakeling van associaties. Een waarneming roept een herinnering op, die weer een andere herinnering oproept, die weer een nieuwe waarneming opent, en zo gaat het maar door. Wat me vooral ging storen, waren zinnen als ‘while I was writing the previous page’ of ‘in connection with the phrase that appears earlier in the report’. Het wemelde ervan en ging mij danig irriteren. En nergens een hoogtepunt. De 'border districts' zijn één grote laagvlakte.
Het geheel deed mij regelmatig denken aan de stijlfiguur van ‘stream of consiousness’ die gebruikt werd door schrijvers als Joyce en Faulkner. Daar ben ik bepaald ook niet kapot van. Het gaat in dit boek dan wel niet om onbegrijpelijke zinnen, maar het is net zo vlak.
Het boek eindigt met deze versregels van Percy Bysshe Shelley: ‘Life, like a dome of many-coloured glass / Stains the white radiance of Eternity’. De zinnen refereren hier aan de glas-in-lood-ramen die in de waarnemingen en herinneringen van de ik-figuur telkens terugkomen. Ze lijken de betekenisloosheid te onderstrepen van het ondermaanse waar maar weinig puur eeuwig licht in valt. Maar dat had de schrijver me gaande zijn boek al meer dan voldoende duidelijk gemaakt.
Normaal bespreek ik hier alleen boeken die me enthousiast maakten. Ik houd niet zo van negatieve recensies. Maar ook dit is een leeservaring. Het boek dat niet alleen door Boevink maar ook door anderen luid wordt geprezen (Murnane is een writers’ writer) – ik heb er de sleutel niet voor kunnen vinden.