Bovenstaande woorden zijn een citaat uit het recente boek van Bert Keizer en een voorbeeld van zijn trefzekere waarneming. Keizer is overigens zelf niet gelovig - hij laat daar nooit misverstanden over bestaan. Maar hij is een betrokken arts en ziet zaken waar een ander misschien niet eens erg in heeft. Ook ik kom als pastor regelmatig in verpleeghuizen, maar bovenstaande rake waarneming opende ook mij de ogen.

Ik noem het woord ‘verpleeghuis’, want Keizer is daar arts. Niet zomaar één, want Keizer heeft een brede belangstelling. Hij is gek op filosofie (Wittgenstein), heeft belangstelling voor literatuur (Becket) en popmuziek (Beatles) en weet hier en daar ook poëzie te citeren (Dickinson). Hij is dus niet voor één gat te vangen. Maar eerst en vooral is hij verpleeghuisarts en daarover gaat zijn boek.

Bij de uitgang van het leven, zoals Keizer de dood noemt, is het niet alleen dringen geblazen, maar spelen vele ethische-medische vragen. Niet of wel doorbehandelen? Hoe zit het met dementie en euthanasie? Hoe groot kan de betrokkenheid van een arts zijn bij de patiënt?

Keizer blijkt een relativerende kijk op zijn vak te hebben. De werking van veel medicijnen moet in zijn ogen niet al te hoog worden ingeschat: ‘Rationele farmacotherapie is te beschouwen als een psychologische kustlijn die we in het oog houden, terwijl we ronddobberen op een zee van magische gebaren.’ Veel kwalen vormen onoplosbare problemen, maar wil een arts niet verzeilen in het ‘bij volle maan bestrijken van wratten’, dan zal hij of zij het handboek voor medicijngebruik tot oriëntatiemiddel moeten blijven gebruiken. ‘Schipperen’ is dan het woord dat bij mij bovenkomt. In Keizers eigen woorden: ‘In dit opzicht valt geneeskunde samen met het gebed: wel resultaatgericht, maar niet strikt resultaatafhankelijk.’

Al is de toon van Keizer vaak relativerend of licht ironisch, toch wordt hij nergens cynisch. Dat wordt nog het meest zichtbaar als hij spreekt over dementie. Een verpleeghuisarts wordt daar natuurlijk veel mee geconfronteerd. Dat thema keert dan ook telkens terug in het boek. Keizer toont een compassie met zijn patiënten die niet overdreven is maar altijd geloofwaardig. Die compassie zit verpakt in omschrijvingen als: ‘Dementerenden hebben uiteindelijk geen racket meer, maar een soort roeispaan waarmee ze vlinders moeten zien te vangen.’

De meesten van ons krijgen vroeg of laat te maken met de wereld die Keizer beschrijft – hetzij via je ouders, hetzij omdat je zelf eens oud zult zijn. Want de schrijver is nuchter en maakt de zaken niet mooier: dood moeten we allemaal, en de weg erheen is bepaald geen pretje. Toch is het bepaald geen deprimerende ervaring om dit boek te lezen. Hier en daar valt er zelfs flink te lachen. Maar het is vooral de eerlijkheid waarmee Keizer schrijft, die het boek de moeite waard maakt. En: de stijl. Want wat kan deze man schrijven!