MENNO WIGMAN

Laatste dagen van december

We
verdoen de dagen in een waas

van strijkers en weemoedigheid.

Dit is de tijd van valse wensen

en bewogen brieven, de laatste

van het jaar. Hoe dan de broze

maanden bovendrijven, hoe de dagen,

voor het eerst weer, tellen.

Dus
bellen oude minnaressen,

wensen ons alvast het beste

en beginnen over onbezonnen lentes

en het schrikbeeld van een berg

van zevenduizend monter opgerookte

sigaretten – weer een jaar in as.

December: inkeer en ontreddering,
een schacht van angst die niet bezworen
wordt door drank of naasten. Waar is toch
het vuurwerk dat het tellen temt,
de stem die zegt dat het jaar
alsnog een noodzaak kent?

(Uit: Verzamelde gedichten / Prometheus)

Menno Wigman (1966 - 2018) was een meester van de melancholie. Het vergeefse en vergankelijke trokken zijn oog en hart. Geen enkele maand waarin het verglijden van de tijd zoveel accent krijgt als december. Daarom kon het niet anders of Wigman moest er vroeg of laat over schrijven. Hij deed het vroeg: al in zijn allereerste bundel. Maar hier is hij al trefzeker. En: in een vormvastheid die een kenmerk van zijn werk zou worden. Het gedicht gaat over de vele manieren waarop wij de vergeefse vergankelijkheid bezweren. Mooi ook hoe het gedicht besluit met een halfrijm ('temt', 'kent') dat een dubbele streep zet onder drie uitgewogen strofen.