WENDELL BERRY
De wilde ganzen
Te paard op zondagmorgen,
oogst voorbij, proeven we dadelpruim
en wilde druif, het scherpe zoet
van zomereinde. In de doolhof van de tijd
noemen we over herfstvelden namen van hen
die vanhier westwaarts gingen, namen
die rusten op graven. We openen
een zaadje van de dadelpruim om de boom te vinden
die, bleek, in belofte staat
in het merg van het zaad.
Ganzen verschijnen hoog boven ons,
passeren, en de lucht sluit zich. Overgave,
zoals in liefde of slaap, houdt
hen op koers, helder,
in het oude geloof: wat we nodig hebben
is hier. En wij bidden, niet
om een nieuwe aarde of hemel, maar om
stil van hart te zijn en om een helder
oog. Wat we nodig hebben is hier.
(vertaald uit: New Collected Poems, 2012)
Het lijkt een gemakkelijk gedicht, maar is het dat? Ogenschijnlijk gaat het om iemand die tevreden is met wat het leven biedt: oogst, belofte van nieuwe groei. ‘Wat wij nodig hebben is hier’ klinkt het twee keer. Duidelijk dat dit de kern is van het gedicht.
Maar wat doen in dit gedicht dan die mensen ‘die vanhier westwaarts gingen’. En wie zijn ze? Kolonisten? Zou kunnen. Ze hebben met de ganzen, die even later genoemd worden, gemeen dat ze op trektocht waren. Maar waar is dan dat ‘hier’ uit ‘wat wij nodig hebben is hier’?
Misschien is het dit: deze aarde in haar breedte, deze lucht in haar hoogte. De dichter bidt niet om een nieuwe hemel en aarde. Deze aarde en deze lucht zijn genoeg voor wat schepselen, in beweging of niet, nodig hebben. Je kunt je in de doolhof van de tijd overgeven aan een oud geloof: je bent hier ‘in je element’. Dat geldt voor de ganzen, maar zelfs voor de overledenen: ook zij zijn nog ‘in hun element’ – geborgen in de schoot van de aarde.