WENDELL BERRY
Zondaggedicht 2012 II
Zoals licht voorbij het ‘zichtbare spectrum’,
zo stijgt gebed op uit het verpleeghuis,
vanuit deze rotzooi, deze weggeworpenen.
Degenen die ik liefhad en die de fout begingen,
de grote vervreemding, van te lang
leven, ook zij stuurden vanuit dit
vreemde land, hun ballingschap, de immense
smeekbede van extreme menselijkheid:
Help mij. Help ons. Help de stervenden
te sterven. Help de doden te leven. Misschien
zijn ze geslonken tot laatste zorg, tot
laatste gebed. Misschien zijn ze gekomen
bij de laatste vrijheid: niet langer tijd
te willen, niet langer te willen. Van de boerderijen
en de kleine dorpen zijn ze
verzameld tot dit laatste. Hoe laag
de bron ook mag zijn, hun gebed
stijgt op, het rijst als uit het graf,
het is een glorie van de aarde. Als dit niet
waar is, wat dan nog wel?
(vertaald uit: This Day. Collected & New Sabbath Poems, 2013)
Op zondag gaat Berry naar de kerk. Behalve als het weer het toelaat: dat gaat hij wandelen. En al wandelend komen er gedichten in hem op. Ze worden verzameld in zijn ‘Sabbath Poems’.
Maar dat het niet altijd natuurgedichten zijn, bewijst bovenstaand gedicht. De gedachten gaan uit naar verpleeghuizen. Daar wonen mensen die nog liever vandaag dan morgen dood gaan. Hun lijden perst zich in dit gedicht samen in een smeekbede. Ze is – zo luidt de omschrijving - van ‘extreme menselijkheid’.
Menselijkheid – het is hier gelijk aan de hulpeloosheid en kwetsbaarheid. De manier waarop Berry het benoemt is een uiting van zijn diepe empathie en mededogen. De bewoners zijn geslonken tot laatste zorg, een laatste gebed. Dat gebed is hun ‘laatste glorie’. Vreemde uitdrukking misschien. Maar wordt hiermee niet bedoeld: hun laatste restje menselijkheid?
Niets over verhoring van dit gebed. Niets over God. Niets over een leven na dit leven. Dit gedicht gaat over schrijnend lijden: de ontstellende waar(dig)heid van een gebed.