De stilte

Wat moet een mens doen om zich thuis te voelen in de wereld?
Er moeten momenten zijn dat hij hier is
alsof hij afwezig is, voorbij woorden de geweven schaduwen
van het gras in gegaan en de vluchtige duisternissen
van bladeren die beven in de wind, en voorbij
het gevoel van de vermoeidheid van machines en van zijn eigen hart,
zijn missers die onvergeven oud geworden zijn. Het moet met hem zijn
alsof zijn botten voorbij gedachten vervagen
in de schaduwen die uit de grond groeien
zodat de voor die hij in de aarde opent
in zijn botten opent, en hij de stilte hoort
van de tongen van de dode stamgenoten hier duizend jaar geleden
begraven. En welke tegenwoordigheden zullen dan voor hem opkomen,
onkruid dat bloemen draagt, en de droge wind
regen! Welke liederen zal hij horen!

Berry is behalve dichter en schrijver ook boer. En hij is zich bewust van de geschiedenis van het land waarop hij boert. Zo schreef hij als jonge dichter al over de slaven van zijn overgrootvader: ‘Diep op de achterwegen van mijn geest zie ik hen / gaan in de lange dagen / over dezelfde velden waarop ik lange / dagen ging.’

In bovenstaand gedicht realiseert de dichter zich dat het veld nog een oudere geschiedenis kent: die van de Native Americans. Ze waren er al eeuwen voordat de eerste Europeaan voet aan wal zette. Om echt thuis te zijn op het land dat hij beploegt, moet de dichter af en toe ‘afwezig’ zijn, dat wil zeggen: zich openen en ruimte maken voor de tongen van hen die hier duizend jaar geleden begraven werden. In die stilte gaat het landschap bloeien en zingen. Een vorm van thuiskomen.

Berry boert zo heel anders dan de landbouwindustrie. Die laatste gaat het alleen om de winsten. Ze bekommert zich niet om vervuiling of traditie. Het land is gebruiksmateriaal. Bij Berry gaat het om eerbied voor het landschap en haar verleden. Hij ploegde nog met paarden. Je ziet hem zijn voor trekken. Tot in zijn eigen hart. En dan gaat het zingen. Opgeploegd gezang.