WENDELL BERRY

Een ontmoeting

In een droom ontmoet ik
mijn dode vriend. Hij is,
ik weet het, al lang en ver weg,
en toch is hij dezelfde
want de doden veranderen niet.
Zij worden niet ouder.
Ik ben het die veranderd is,
vreemd geworden aan wie ik was.
Toch vraag ik, de veranderde:
‘Hoe gaat het met je?’
Hij grijnst en kijkt me aan.
‘Ik heb perziken gegeten
van een paar prachtige bomen.’

Poëzie hoeft niet moeilijk te zijn. Dit gedicht beschrijft een ervaring die, zeker als we ouder worden, allemaal kennen. We hebben mensen achter moeten laten. Hun beeld bevroor. Ze blijven in onze gedachten even oud als ze waren toen ze stierven. Wij zijn het zelf die veranderen, hier prachtig verwoord met ‘vreemd geworden aan wie ik was’. Maar de dode vrienden of familieleden blijven in ons leven. Tot in onze dromen toe. De tijd - hij speelt een ongrijpbaar spel met ons. Hij wekt weemoed of melancholie om wat was en niet meer terugkomt. Toch eindigt dit gedicht speels en vrolijk. Er is iets dat blijft. Milde vreugde om wat was. Of moeten we zeggen: om wat nog steeds is?