Al die tijd had mijn karretje werkloos aan de stoep gestaan. Een beetje zielig gezicht. Het is toch al geen imposante auto. Het is de kleinste in zijn soort. Ik had een beetje met hem te doen. ‘Zou hij nog wel starten?’ vroeg ik me af.

Toen ik de sleutel omdraaide pruttelde hij even, maar gelukkig pakte de motor en ik reed weg. Voor de zekerheid eerst maar even de snelweg op, want de accu moest kennelijk opgeladen worden. Gas geven en gaan.

Ik zei het al: mijn bolide is niet imposant. Het is niet alleen een kleine auto, hij is ook nog eens oud. Een ander zou zich er misschien voor generen. Maar ik houd van die rammmelbak! Dat hij (verschoten) rood is en de Suzuki Spirit heet, heeft voor mij ook nog eens een meerwaarde. Rood is immers de kerkelijke kleur van de Geest!

De Geest van God waait waarheen hij wil, de Suzuki Spirit brengt mij waar ik wil. Wel in dienst van de Geest hoop ik, want het is mijn Boodschappenautootje, als je begrijpt wat ik bedoel. Ik gebruik hem voor mijn werk. Mensen in het ziekenhuis bezoeken en zo.

Het proefritje na die drie maanden deed me goed. Ik zal niet zeggen dat ik me ‘Born to be wild’ voelde. Maar de regels van het liedje kwamen wel bij me boven: ‘Get your motor runnin', head out on the highway.’ Ik had mijn vrijheid terug!