Dat het pensioen zo vroeg zijn schaduw (of licht)
vooruitwerpt, heeft te maken met de aparte positie van een dominee. Men is al
bezig een Beroepingscommissie in het leven te roepen met het oog op een
opvolging. Verstandig, want het kan even duren voordat je op pad kan en ‘beet’
hebt.

Dat heeft echter voor mij consequenties: de hele gemeente is
er nu op attent gemaakt dat dit mijn laatste jaar als wijkpredikant wordt. Ik
ben dan ook bang dat het een langgerekt afscheid gaat worden. Dat dient zich nu
al aan, middels die ene vraag die me al regelmatig gesteld wordt: of ik ernaar
uitkijk?

Mijn antwoord: ik weet het niet zo goed. Het vooruitzicht dat je van alles naar nul gaat, is niet aanlokkelijk. De wekelijkse gang van het kerkelijk leven geeft me zo’n vaste cadans, dat ik niet goed weet wie en hoe ik zal zijn zonder. Maar ik weet al wel dat ik de gesprekken en het preken in een vaste gemeente ga missen. Ik loop er op als een Tesla op een volle accu.

Maar zoals in elke baan, is er ook in het kerkenwerk geneuzel. Daar zal ik van verlost zijn! En er ontstaat ruimte voor leukere dingen. Ik hoef me niet te vervelen. Er zijn genoeg hobby’s: tennissen, tuinieren, timmeren, lezen, schrijven, muziek maken. Daar kan ik dan alle tijd aan geven.

Maar dan moet ik denken aan Okke Jager, een van mijn leermeesters. Hij keek uit naar zijn pensioen. ‘Dan mag ik een hele dag doen over een komma,’ zei deze veelschrijver. Maar niet lang daarna werd hij ziek en overleed. Je kunt wel denken alle tijd te hebben, maar is dat ook zo? Je pensioenleeftijd zet ook een accent op de tijd: je gaat je derde levensfase binnen – die van een nog groter besef van eindigheid.

Daar moet ik nog even niet aan denken. Ik heb me dan ook voorgenomen
om gulzig te gaan genieten van het
laatste jaar. Al hoor ik in gedachten dan mijn zware oma weer zeggen: ‘Als ik
het beleven mag’. Natuurlijk, oma. Alles onder voorbehoud.