Ik realiseerde me vandaag eigenlijk pas goed met hoeveel mensen ik ‘in mijn hoofd liep’. Mensen met ziekte of zorgen. Je trekt met ze op, je luistert, je zoekt met hen naar zin en perspectief in wat hen overkomt, of  (en dat komt ook vaak voor) je staat met lege handen en een mond vol tanden – al kunnen lege handen zich nog altijd vouwen en kan een mond vol tanden nog altijd God aanroepen.

Hoe dan ook, ze wisselen: de mensen met wie je oploopt. Met
sommigen gaat het na verloop van tijd beter en het contact loopt dan af. Er
overlijden mensen. Hun nabestaanden bezocht ik dan nog een jaar lang. Maar er
komen weer anderen voor in de plaats. En dan zijn er nog de mensen in verpleeghuizen
en de chronisch zieken. Een dominee loopt continu met wel veertig, vijftig
gezichten in zijn of haar hoofd rond.

Vandaag voelde ik me ineens lichter. Neuriënd liep ik in en om ons nieuwe huis. Ik was klusjes aan het doen. Lampen ophangen. De schuur verder inrichten. In de tuin werken. In gedachten plannen makend. De tuin moet namelijk anders. Het is nu een ‘onderhoudsvriendelijke’ tuin, zoals dat op Funda eufemistisch genoemd wordt: veel tegels dus.

Al keutelend voelde ik het opeens: ik hoef niets meer, ik word nergens meer verwacht. De verantwoordelijkheid is nu aan anderen. Een dubbel gevoel: lichter maar weemoedig tegelijk. Hoe zou het met ze zijn? Die reflex zal nog wel even blijven.