Ik zit zonder jas op het terras. Een (te) vroege lente. De zon streelt zacht mijn gezicht. De warmte masseert mijn schouders. Ik voel hoeveel ze de laatste weken torsten. Het zachte licht over het wijde landschap opent mijn hart. Ik bedenk mijn dagelijkse haiku (een eenvoudige Japanse versvorm):

In een bladstil dal
de kerktoren van Vijlen –
vredige verte.

Vanuit het dorpje Vijlen in de verte wijst het kerkje namelijk
naar omhoog. Naar de verten van God die nu tegelijk ongehoord dichtbij komen.

En dan kijk ik in mijn boek. Ik lees een verhaal dat Nescio
schreef in de jaren veertig. Oude taal, maar wat ik lees, rijmt met wat ik nu
ervaar:

‘De Heer is in de
groote stilte en leegte en in dit wonderbaarlijke einde van een monumentale
dag. Deze dag is weer mijn geweest en mijn is deze betooverde wereld. De zon
staat stil, het zal geen nacht worden. De tijd staat stil, de onbarmhartige
eeuwigheid heeft erbarmen. God heeft de vergankelijkheid van mij weggenomen en
van deze bloeiende wereld. De hemel welft stil en blauw over het goedetierene
groen. En rondom, voor en achter me en opzij, hoor ik den onbegrijpelijke roep.
Vanwaar? Dertien maal roept deze stem Gods van voorbij de grenzen van het
begrip.’

Nescio was geen groot gelovige. Nescio lijkt op Prediker. Een
twijfelaar. Zijn naam betekent dan ook: ‘Ik weet het niet’. Maar hij kwam God
regelmatig tegen in natuur en landschap. Daar doen kerkmensen wel eens
denigrerend over. Maar ik moet dan altijd denken aan wat Kuitert schreef: ‘Wie
God niet buiten de kerk tegenkomt, komt Hem in de kerk ook niet tegen.’ En een
woord van Arnold van Ruler komt bij me boven: ‘Het bestaan lief te hebben, dat
is de echte lofprijzing van God.’

Ik sluit het boek, kijk om mij heen. Mijn hart zegt: ‘Amen’.