Hij is een man alleen en eenzaam. Het lukt hem niet om relaties aan te gaan. Dan komt hij Martha tegen, ze kunnen het goed met elkaar vinden en hij trekt zelfs bij haar in. Ondertussen is bij hem het plan gegroeid om een boek te schrijven. Strobrand is namelijk geïnteresseerd geraakt in de verloskunde van de 19de eeuw in Zeeland, de tijd van zijn geliefde oma.
In haar tijd stierven er buitensporig veel zuigelingen –
gevolg van de gewoonte om pasgeborenen in plaats van de moederborst broodpap te
geven. Hij onderzoekt het thema en ontdekt ook dat in die tijd niet vrouwen
maar mannen de belangrijkste verloskundigen waren.
In het brein van Strobrand wordt dan Jacob Smallegange geboren, vroedmeester te Sabbingedijk en omstreken. Strobrand slaat aan het schrijven. Maar vanwege een oogafwijking kan hij niet typen en hij huurt daarom een typiste in: Henriëtte. De relatie met Martha is dan al lang ten einde. Tijdens het werken met Henriëtte ontstaat er hoop: zal het met haar…?
‘De verlossing van Jacob Smallegange’ is een boek in een boek, want een groot deel van de roman wordt gevuld door het boek dat Strobrand schrijft. Dus: Spruit over Strobrand over Smallegange. Maar nergens wordt het ingewikkeld. Integendeel, met grote helderheid en soberheid worden de twee verhalen met elkaar verweven.
De achterflap spreekt van ‘Reviaanse sferen’, maar dat vind ik een misser. Het boek doet meer denken aan de liefdevolle helderheid van schrijven van Bernlef of Sander Kollaard. Ik heb genoten van dit tedere, pretentieloze boek dat het gewone leven van twee mannen poëtisch beschrijft, waarbij een van de twee zelf verlost wordt. Het boek beschrijft het bijna terloops.


