We’re so small, we’re so small/ we are so terrible and tiny/ we don’t learn/ and I don’t think we ever will. Het zijn de zinnen waarmee dit album opent. Het nummer Monsters On The Hill legt meteen de kaarten op tafel: Nichols keert zich tegen het hebzuchtige moderne leven. Maar de zachte tonen van de blaassectie die het album een soultouch geven, laten meteen horen dat Nichols geen zure scherpslijper is. Hij staat voor zijn opvattingen, maar verpakt die in mooie teksten en dito muziek.
Nichols weet dat hij een voorbijganger is in dit leven. Dat zorgt voor een dosis melancholie, maar ook voor dankbaarheid. Hij verwondert zich dat hij deel mag uit maken van het leven. In I Am Just a Visitor en I’ve Enjoyed As Much Of This Good Life (As I Can Take) getuigt hij ervan. Al is zijn huis krakkemikkig en de fundering rot, hij heeft het goed.
Dat wil niet zeggen dat er geen problemen zijn. We zagen al: het album opent ermee. Ook het titelnummer laat niets aan duidelijkheid te wensen over: het gaat over de daklozen aan de rand van de samenleving. En in Deportees stelt de singer-songwriter de deportatie van Mexicaanse emigranten aan de kaak. De wereld kent dus grote problemen. Maar ieder mens krijgt ook persoonlijk zijn portie. Big Troubles Come In Through Small Doors, horen we op de tweede track van het album.
Wie nu de indruk heeft dat het een loodzwaar album is, is op het verkeerde been gezet. De muziek van Nichols doet denken aan de lichte toets van de laidback-stijl van J.J. Cale. De kritische boodschap is duidelijk, maar nergens in your face. Daarom is het een album met een diep humane ondertoon. En er blijft genoeg te danken over. ‘Als ik deze oude wereld verlaat, dan met een tevreden gevoel,’ zo horen we in het slotnummer. Maar hopelijk duurt dat verlaten nog even. Ik kijk alweer uit naar het volgende album!