Moestuinieren heeft een therapeutische werking. Je bent niet alleen buiten, je werkt met de natuur. Je ziet alles opbloeien, blinken en verzinken. En als je ook nog eens een paradijslijk plekje voor je tuin hebt waar de stilte alleen verstoord wordt door het vrolijk zingen van de vogels, kun je een gelukkig man of vrouw zijn. En dan: al dat (onbespoten!) fruit en die groenten die het oplevert! Maar…
Tuinieren is ook een strijd. Om te beginnen tegen het ‘vuil’ zoals het in jargon heet: onkruid. Je hebt er op een tuincomplex meer last van dan in je siertuin is mijn ervaring. Je hebt je een middag uitgesloofd en je hele tuin geschoffeld, maar de volgende week moet je weer van voren af aan beginnen.
Nu in deze periode van droogte valt het mee. Maar ja, droogte geef weer andere problemen. Je moet om de zoveel dagen gieten – vooral de komkommers en tomaten. Ga dan maar eens een week met vakantie. Niet dus. De hitte heeft bovendien een groot deel van mijn aalbessenstruik verbrand. Geen bes kunnen plukken.
Maar teveel regen geeft ook problemen: slakken. Wie ecologisch wil tuinieren, zal het nooit winnen van de talloze slakken die na een fikse regenbui tevoorschijn komen. Bloemkoolplantjes gepoot? Volgende dag weg. @#$%&!
En dan zijn er nog andere problemen: zaad dat niet opkomt, spint in je appelboom, beestjes in de pruimen, etc. U kijkt er inmiddels niet meer van op als ik zeg dat ik ook weleens met tegenzin naar mijn tuin ga. Maar ja, je moet. Want een tuin heeft een ritme waarbij je op straffe van nog meer werk niet kunt achterblijven.
Ik lees momenteel Agrarian Spirit van Norman Wirzba, een boek dat een pleidooi houdt voor een agrarische wijze van leven. Maar Wirzba is eerlijk. Je moet het niet idealiseren, zegt hij. De zorg voor planten, dieren, velden en boerderijen is voor een deel veeleisend, moeilijk en onbarmhartig werk. ‘Iedereen die weleens geprobeerd heeft een tuin bij te houden, weet waar ik het over heb.’
Kijk, dat hoor je nooit als je als nieuweling informeert of er nog tuinen vrij zijn.

