Ik heb me vaak afgevraagd waarom die zin mij is gaan
vergezellen. Ik denk dat het dit is: hij raakte aan een (ook door mij) vaak
vergeten kant. We leven in een tijdperk met ideaalbeelden. Ik ben er mee
opgegroeid. De muziek, de reclame, TV-programma’s – veel straalt onbezorgd
optimisme uit met als boodschap: geluk ligt binnen handbereik als je het maar
wilt grijpen. Je leven kan leuk zijn. De wereld is immers maakbaar en dus ook
jouw wereld.

Binnen de contreien van de kerk waarin ik me begeef, bespeur ik soms trouwens een vergelijkbaar optimisme. Je komt er al snel de boodschap tegen dat liefde alles overwint. En als dat niet het geval blijkt, word je al snel geconfronteerd met een moralisme dat suggereert dat het wel degelijk moet en kan. Maar dat leven op zichzelf soms verrekt zwaar en ingewikkeld is – het wordt al snel weggemasseerd.

‘Life is what happens to you while you are busy making
other plans,
’ luidt een bekend gezegd: ‘Het leven is wat je overkomt
terwijl je druk bezig was andere plannen te maken.’ Het leven is dus
schipperen. Trial and error. Je wilt er wat van maken, maar het is
vallen en opstaan. Zwemmen in een stroom die je meevoert. Kleine overwinningen
worden afgewisseld door (hopelijk ook kleine) nederlagen. Kortom, we rommelen
ons vaak maar wat door het leven heen.

Het ideaalbeeld is dus een drogbeeld. Het leven van de happy few lijkt wel aan dat ideaalbeeld te beantwoorden. Maar het ligt zomaar aan gruzelementen. Zie Marc Overmars. Hij schaamt zich nu diep. Nu pas? Kennelijk waande hij zich lang op een troon van onkwetsbaarheid van waaraf hij alles kon maken (en breken).

Bij uitvaarten besloot ik de gebeden altijd met: ‘Laten wij, die achterblijven in het land der levenden, zuinig zijn op elkaar, wetend dat het leven even kwetsbaar is als kostbaar.’ Je zou zoiets elke zondag kunnen bidden en er aan toe kunnen voegen: ‘en dat wij staan voor de vaak zware taak, er te zijn – als mens.’ We zijn breekbare dingetjes. Ook godenzonen, al denken ze zelf van niet.