Zo heeft Walter een retraite-ruimte die hij zijn ‘tempel’
noemt en waar driftig gedanst wordt. Hij is gespecialiseerd in tantra. Begroetingen
moeten knuffels zijn van minstens acht seconden. En de taal die gebezigd wordt heeft
een hoog pseudo-psychologisch gehalte (‘Vind je het interessant om eens wat
verschillende energieën te voelen?’, ‘Ik zie een andere Claudia dan een paar
dagen geleden’, ‘Bij de eerste aanraking had ik het gevoel dat ik aarden
ging’).
Ik voel dan kriegelige gedachten opkomen. Maar ik moet een
andere weg lopen. Natuurlijk: je kunt je afvragen hoe ingevoerd die Walter
eigenlijk is in de spiritualiteit die hij voorstaat. En is de spirituele
levensinstelling van Joy meer dan egotripperij? Maar ik kap die weg af. Steek
de hand in eigen boezem. Want waarom zoeken zoveel mensen het elders waar het
ook zo dichtbij te vinden is? Waarom zoeken mensen het niet in de rijke
christelijke traditie van mystieken en kloosters?
De Amerikaanse religiewetenschapper Huston Smith verdiepte
zich in vele vormen van spiritualiteit. Soefisme, Tibetaans Boeddhisme,
Hindoeïsme, Zen. Maar een leraar uit India zei hem: ‘If you are drilling for
water, it's better to drill one 60-foot well than 10 6-foot wells.’ Hij
bedoelde: je kunt je beter grondig verdiepen in je eigen traditie dan oppervlakkig
shoppen in andermans tradities.
Waarom zoeken zoveel mensen het dan toch niet (ook) in hun 'eigen' traditie? Omdat ze oppervlakkig zijn? Of hebben wij 'onze' bron laten verzanden? Of wellicht verborgen onder een dikke steen van regels en protocollen waar de ziel uit is gehamerd?
Vorige week las ik een interview. Het ging over kunstenaar Louwe Noordhoff wiens werk in een kerk in Groningen wordt tentoongesteld. Dagblad Trouw tekende op: ‘Noordhoff is zelf niet gelovig. Hij omschrijft zijn werk eerder als spiritueel dan christelijk.’
Waar komt die tegenstelling toch vandaan?


